Larry Siems werkte als vertegenwoordiger van de mensenrechten en het vrije woord al vele malen eerder aan getuigenissen van gevangen die in ballingschap leefden of gemarteld werden, maar was altijd in staat zijn werkdag af te sluiten en ‘’s avonds rustig een biertje te drinken’. Toen hij de cd-rom met daarop de 460 pagina’s die Mohamedou Ould Slahi had opgeschreven in handen kreeg, veranderde dat. Hij was gewend in de geschriften woede en soms hulpeloosheid terug te lezen, maar dit verhaal was levendig, toegankelijk, bij tijden zelfs grappig en bovenal bijzonder genereus in de weergave van andere mensen, zelfs de degenen die hem tijdens zijn veertien jaar durende gevangenschap in Guantánamo Bay, zonder aanklacht, martelden.
Toen Siems er een tijdje mee bezig was, merkte hij dat hij nachtmerries begon te krijgen waarin hij een ‘agent of violence’ was, degene die het leed moest toebrengen. Had dat er denkt hij mee te maken dat hij zich vereenzelvigde met de martelaren van Slahi, dat hij als witte Amerikaanse man onbedoeld symbool stond voor de zogeheten war on terror? Absoluut, zegt Siems. Ze kwamen onder andere voort uit schaamte. Door de manier waarop Slahi schreef over wat hem overkomen was, kon Siems werkelijk invoelen wat er gebeurd was, van welk ‘grotest geweld’ er had plaatsgevonden. Hij begon duidelijk in te zien wat zijn verantwoordelijkheid was in dit project: 1. het verhaal van Slahi verspreiden, 2. zich verzetten tegen de censuur.
‘Er is maar één reden voor mij om iets op te schrijven, en dat is als ik er een absolute noodzaak toe voel’
Was dat de bedoeling van Slahi? De oorspronkelijk Mauritiaanse ingenieur legt uit dat er voor hem maar één reden is om iets op te schrijven, en dat is als hij er een absolute noodzaak toe voelt. Een andere bedoeling was er niet. In eerste instantie schreef hij losse stukken tekst op blaadjes die hij van de beveiliging pikte; ze waren bestemd voor gevangenen die ‘zich goed gedroegen’ zodat ze naar huis konden schrijven – en om degenen die dat niet deden te laten zien wat ze misliepen. Toen Slahi werd overgeplaatst werd alles in beslag genomen, en zodra hij hoorde dat hij advocaten kreeg toegewezen en ook pen en papier mocht hebben, begon hij opnieuw. Hij schreef alles op wat hem overkomen was. Daarbij valt het Siems op dat Slahi beknopter wordt als het over het martelen gaat; met subtiele verwijzingen maakt hij duidelijk wat er gebeurt. Dat is een verschijnsel dat hij vaker tegenkomt in zulke verslagen, als reactie op traumatische ervaringen.
Lees ook het interview met Slahi en zijn advocaat Nancy Hollander:
Geen enkel contact
Siems en Slahi mochten aanvankelijk geen enkel contact hebben, ook al had Siems toestemming het boek te publiceren. Wat hij tijdens het redigeren merkte, was dat hij Slahi begon te vertrouwen. Dingen die hij eerst had aangepast, draaide hij weer terug omdat alles een betekenis bleek te hebben, een verwijzing was, en gewoon klopte. Zo vermoedde hij toen Slahi in de beschrijving van een bewaker verwees naar Bob Bonker, een niet erg bekende Amerikaanse tv-host, dat Slahi een verwijzing naar Amerikaanse cutuur wilde maken maar de plank missloeg. Bij nader inzien leek het te gaan om een bekende producent voor gevangeniskstuums, die inderdaad ook aan Guantánamo leverde. ‘Ik was ongeveer een halfjaar lang dingen aan het aanpassen,’ vertelt hij, ‘en daarna een half jaar bezig om ze weer terug te draaien.’ Zijn perspectief veranderde en hij leerde kijken door de ogen van Slahi.
Er was maar één uitgever die het project aandurfde, en wel in zwaar gecensureerde vorm
Er was maar één uitgever die het project aandurfde, en wel in zwaar gecensureerde vorm. Er waren vreemde dingen weggehaald, vertelt Siems. Het woord ‘tranen’ bijvoorbeld. Hij begon zich ook in te leven in degenen die de opdracht hadden gekregen met zwarte stift woorden weg te strepen die te veel emotie konden oproepen. Nadat Slahi was vrijgekomen en ze elkaar eindelijk konden ontmoeten, werkten ze samen om de gecensureerde passages weer op te vullen.
Toen het af was, stuurden ze gedeelten naar bladen op, waaronder New York Times Magazine. Ze hoorden vier maanden niets en kregen toen een afwijzing met als toelichting dat er al een ander verhaal over Guantánamo zat aan te komen (dat Siems nooit heeft teruggezien). ‘Iedereen was bang,’ vertelt hij. ‘Zelfs de advocaten waren bang, dat was echt pijnlijk om te zien.’ En waarschijnlijk speelde er ook ontkenning mee, van de eigen rol in deze gebeurtenissen. Men wilde het idee ophouden dat Amerika’s acties goed waren geweest. Uiteindelijk publiceerde Slate een voorpublicatie uit het boek.
Lees ook het interview met Slahi en regisseur Kevin Macdonald:
Groentetuintje
Vanuit diezelfde Amerikaanse angst werd Slahi vanaf het moment dat hij gemarteld werd strikt gescheiden gehouden van de andere gevangenen, die niet mochten weten wat er gaande was. Dat leverde hem ook enkele voordelen op: hij had een eigen woonwagen, een groentetuintje maar vooral zijn eigen bewakers die zich enkel en alleen met hem bezighielden. Omdat Slahi en zij enkel elkaar zagen, bouwden ze een band op en begon Slahi hun menselijke kant in te zien. Ze werden zelfs vrienden, vertelt Siems. Zo kwam er een keer een bewaker van zeventien bij Slahi die begon te huilen. ‘Ik wist niet wat ik moest doen,’ vertelt Slahi. ‘Het liefst wilde ik hem knuffelen en zeggen dat het goed zou komen. Voor mij is een mens een mens, en mensen zijn niet gemaakt om een ander pijn te doen. Als ze het wel doen, krijgen ze daar last van.’
‘Hun daden, het martelen, en hun overtuigingen strookten niet meer met elkaar’
Slahi vertelt Siems en mij dat we eigenlijk jaloers op hem zouden moeten zijn, omdat hij een perspectief kent dat wij nooit kunnen zien. Namelijk het openlijke racisme dat er bestaat tegenover onder andere moslims. Hij raadt ons het boek Identity and Violence aan, waarin wordt uitgelegd dat de mens het beste in staat is gewelddadig te worden als hij in een klein hokje wordt geplaatst. ‘Niemand is één identiteit. Je bent waar je vandaan komt, je bent je geslacht, je eigenschappen, je beroep et cetera.’ Deze bewakers hadden geleerd Slahi in een hokje te stoppen, maar zagen nu dat hij geen monster was. Zo trad er een vorm van cognitieve dissonantie op, vermoedt Slahi. Hun daden, het martelen, en hun overtuigingen strookten niet meer met elkaar.
Het ironische is, zegt Siems, dat juist doordat Slahi apart werd gehouden van de anderen, vanuit de angst dat wat hem werd aangedaan bekend werd, dit boek ontstond, zodat zijn verhaal de hele wereld over kon reizen.
Interview door Laura Weeda
Kijk hier het gesprek terug tussen Mohamedou Slahi en Larry Siems dat op 8 juli in De Balie in Amsterdam werd gevoerd.
Lees hier het dubbelinterview met Mohamedou Slahi en Kevin Macdonald, die zijn boek verfilmde.
Hier kunt u Guantánamo dagboek (2015) van Mohamedou Ould Slahi bestellen, onder redactie van Larry Siems. Het werd in vele talen vertaald.

