Het beste uit de internationale pers

Levenslessen van een rijinstructeur

Ik zal eerlijk zijn. Ik was een verschrikkelijke rijschoolleerling. Op de laatste dag van mijn rijlessen maakte ik mijzelf en mijn instructeur bijna van kant.

Maar ik ga iets te snel.

Laat ik bij het begin beginnen.

Het was de winter van 1976, ik was achttien, vol zelfvertrouwen en klaar om mijn Belgische rijbewijs te halen. Mijn vader stond er in zijn enthousiasme op dat hij mij zelf les zou geven. Bij nader inzien was dat een vergissing. Zoals een dokter nooit zijn eigen gezin moet behandelen, moet een vader zijn kinderen niet leren rijden. Op een koude morgen gingen we naar de De Bonnestraat, dicht bij het tramdepot op de grens van Anderlecht en Molenbeek. Hij gaf me de sleutels van zijn oude blauwe Opel. Ik was enthousiast en zelfverzekerd, maar had ook geen idee wat ik moest doen.

‘Zo,’ zei hij. ‘Die is voor jou.’

Ik draaide aan de contactsleutel. De dieselmotor gromde. Ik trapte de koppeling in, zette de auto in de eerste versnelling en liet het pedaal vervolgens veel te snel opkomen. De auto schoot een stukje vooruit en de motor sloeg meteen weer af. Ik deed het nog een keer. Mijn vaders gezicht werd knalrood. Met zijn handen in de lucht riep hij tegenstrijdige bevelen.

‘De koppeling. Nee, het gaspedaal. Niet zo hard. Wat doe je? Stop!’

Dat was het eind van onze lessen. Toen ik hem een paar dagen later schaapachtig vroeg of we het nog een keer konden proberen, schudde hij vastbesloten zijn hoofd. ‘Ik geef te veel om onze gezondheid om dat nog een keer te doorstaan.’

‘Zachtjes het gaspedaal indrukken. Langzaam de koppeling op laten komen. Het is balanceren’

Dus schreef ik me in bij een officiële rijschool in Anderlecht. Daar ontmoette ik meneer B, mijn onfortuinlijke instructeur – onfortuinlijk omdat ik zijn leerling was.

Hij was kort en gedrongen, droeg een pak met stropdas en had altijd een sigaar paraat. Hij rookte zelfs in de auto; de kleine Peugeot vulde zich dan met dikke, scherpe rookwolken die in de stoelbekleding bleven hangen. Het rook er naar verbrand leer.

‘Heb je al eens eerder gereden?’ vroeg hij kortaf.

Ik dacht aan de ramp met de Opel en mompelde: één keer.

‘Mooi,’ zei hij en stak nog een sigaar op. ‘Dan weet je hoe gevaarlijk het kan zijn.’

We reden over een stille weg dicht bij Scheut, in de buurt van hotel Prince de Liège, waar tuinen en volkstuintjes zich over het landschap uitstrekten. Meneer B gaf zijn aanwijzingen door de rookwalmen heen.

‘Zachtjes het gaspedaal indrukken. Langzaam de koppeling op laten komen. Het is balanceren. Voorzichtig.’ Ik probeerde het. De auto schokte. Ik zette in plaats van de richtingaanwijzer de ruitenwissers aan. Ik haalde de rem en de koppeling door elkaar. Meneer B zuchtte moedeloos, reed zelf weer terug naar het kantoor en beet de directeur van de rijschool bij het uitstappen toe: ‘Je hebt me weer een hopeloos geval gegeven. Waar moet het in godsnaam heen met België?’

Ergens had hij gelijk.

Toch kwam ik weer terug. Ondanks mijn schaamte, of misschien wel dankzij mijn schaamte, wilde ik bewijzen dat ik het kon. Als Marokkaanse tiener in een stad die niet altijd openstond voor verschillende soorten mensen wilde ik geloven dat ik erbij hoorde.

Ik denk niet dat meneer B en de directeur dat begrepen. Voor hen was ik waarschijnlijk nog zo’n mislukte poging tot immigratie.

Maar voor mij was het een persoonlijke kwestie.

En naarmate de lessen vorderden begon ik in te zien dat mijn aannames over deze mensen, en zeker die over meneer B, niet helemaal eerlijk waren. Rijden ging niet alleen maar over de versnellingen en de koppeling. Het ging om ruimte vinden. Om gezien worden op een plek waar mensen zoals ik vaak over het hoofd worden gezien. In de weken die volgden gaf ik meneer B alle reden om vervroegd met pensioen te gaan. Ik liet de motor vaak afslaan. Zijn gezicht werd rood, zijn knokkels werden wit en hij rookte zijn sigaar sneller op.

Hij behandelde me net als alle andere onbeholpen leerlingen, niet beter en niet slechter

Maar hij kon mij verdragen. Misschien uit plichtsbesef, of misschien – hoewel ik dit later pas begon in te zien – omdat hij ervoor koos.

Onder zijn natuurlijke norsheid, die ik als onbeleefdheid had geïnterpreteerd, zat een zekere stabiliteit. Misschien zelfs aardigheid. Hij keek nooit op me neer. Hij zag me nooit als minderwaardig. Hij behandelde me net als alle andere onbeholpen leerlingen, niet beter en niet slechter.

Dat klinkt misschien onbeduidend, maar in die tijd was een naam als de mijne al genoeg om als vreemdeling bestempeld te worden voordat je ook maar een woord had gezegd. Met meneer B voelde het nooit zo. Geen vooroordelen. Geen neerbuigendheid. Hij had een norse persoonlijkheid, maar behandelde iedereen gelijk, zelfs de directeur van de rijschool, die hij vaak met wat botte Vlaamse woorden aan de kant zette.

Langzaam begonnen dingen te verbeteren. Tergend langzaam, maar zeker. Ik leerde naar de motor te luisteren. De koppeling te beheersen. Om de emoties van de Peugeot aan te voelen. Uiteindelijk had ik mijn uren voltooid en kon ik afrijden.

Ik was die dag erg nerveus. En meneer B nog meer dan ik. Als hij gespannen was, schakelde hij van aarzelend Frans over op snel, vlijmscherp Vlaams.

De zon ging al bijna onder. Uit de donkere, laaghangende wolken dreigde sneeuw te vallen. Meneer B wachtte me op, met zijn jasje dichtgeknoopt en in zijn hand een sigaar.

‘Eindelijk,’ zei hij, en hij klonk opgelucht. ‘Onze laatste les. Het examen. Instappen maar, en rijden.’
We reden weg.

Meneer B begeleidde me over de Ninoofse Steenweg, langs de gracht, brouwerij Belle-Vue en het Klein Kasteeltje, waar twee soldaten stijfjes de wacht hielden bij een zware houten deur. De Vroegmarkt was bijna ten einde; de luiken waren dicht en wat laatkomers probeerden nog af te dingen.

We reden verder in de schaduw van het vergane Viaduct van Koekelberg, de verhoogde slagader die vaak trilde onder het gewicht van de trams. Boven ons beefde het bouwwerk terwijl we over de Léopold II-laan reden.

Hij had een norse persoonlijkheid, maar behandelde iedereen gelijk

Het werd drukker op de weg. Vijf uur. Spitsuur in Brussel, de winter van 1976. Volgens mij was het januari, maar dat weet ik niet zeker meer.

Brussel voelde, net als heel België, verdeeld. Prachtig en melancholisch. Mensen in lange, donkere pardessus liepen langs beslagen ramen waarin hun weerspiegeling vervaagde door de kou. De lucht was verkwikkend, de sneeuw school aan de rand van een dreigende hemel. Straatlantaarns hulden de straten in een bleke, spookachtige gloed, waardoor de stad deed denken aan een schilderij uit de late negentiende eeuw. Voor heel even was Brussel het domein van zijn surrealistische schilders: licht verwrongen en ondoorzichtig, tussen droom en werkelijkheid in.

We reden langs het beroemde Cinzano-bord op het Rogierplein, links lag de Kruidtuin.
Ik liet de motor voor de verandering niet afslaan. Ik raakte niet in paniek. Meneer B was kalm. Hij kettingrookte niet. Zijn stem was rustig. Hij glimlachte zelfs. We hadden voor het eerst een echt gesprek.

Ik dacht: Misschien haal ik het wel. Maar de kalmte was van korte duur. Terwijl we via de Minimenstraat de Marollen uit reden, begon het zwaar te sneeuwen, net toen de groene koepel van het Justitiepaleis hoog boven ons uittorende. Het werd moeilijk om de weg nog te zien. De klinkers glinsterden van het ijs.

Mijn handen begonnen te zweten. De ruitenwissers piepten. Ik gleed te snel de rotonde op bij het Poelaertplein.

Ik had moeten remmen. Ik had op het aankomende verkeer moeten letten. Maar dat deed ik niet.
Er suisde een vrachtwagen langs, die ons op een paar centimeter na miste. Keihard getoeter. Er kwam een bus recht op ons af. Een moment lang stonden mijn gedachten stil.

Toen trapte meneer B op de rem.

De auto kwam met een schok tot stilstand.

‘Godverdomme,’ riep hij. ‘Je reed ons bijna dood.’

De rest kwam eruit in bliksemsnel Vlaams. Ik had geen vertaling nodig. We reden terug in volledige stilte.

Geen handdruk. Geen gedag. Geen oogcontact.

De auto was kouder dan zou hoeven. De verwarming stond aan en de ramen waren dicht, maar toch was het kil. Af en toe sloot meneer B zijn ogen, alsof hij door de chaos die ik had aangericht heen probeerde te ademen.

Nu ik zijn leeftijd heb bereikt, vraag ik me af of hij zichzelf misschien probeerde te kalmeren. Ik doe dat af en toe ook. Misschien mediteerde hij, niet op zijn oosters, maar op een persoonlijke, innerlijke manier.

Ik was gezakt, dat wist ik.

Na het voorval op het Poelaertplein heb ik geen woord meer van hem gehoord. Nooit meer. Ik begon daarna beter te rijden, maar er was iets veranderd. Terug op het kantoor overhandigde meneer B zwijgend zijn rapport aan de directeur. Toen vertrok hij.

Geen handdruk. Geen gedag. Geen oogcontact.

Ik zat daar in m’n eentje en het moment spookte door mijn gedachten. Had ik maar geremd. Had ik maar…

Er kwam een verontrustende gedachte bovendrijven. Ik moest aan mijn vrienden en familie vertellen dat ik was gezakt. Het was zo’n tienermoment waarop je het liefst zou willen dat de grond je met huid en haar opslokt. Toen riep de directeur me.

‘Jongeman,’ zei hij met een kleine glimlach, ‘je bent met een van de laagst mogelijke scores geslaagd.’
Ik knipperde met mijn ogen. Ik kon het niet geloven.

‘Gezien wat er op het Poelaertplein is gebeurd,’ zei hij, ‘stelt meneer B blijkbaar veel hoop in jou.’

Ik vond het een fijn woord. Hoop. Espoir. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Mijn handen trilden nog steeds. Volgens mij zei ik ‘Dank u’ en ‘Merci’, maar dat weet ik niet meer. Het is bijna vijftig jaar geleden.

De herinnering voelt ver weg maar toch heel levendig.

Meneer B en ik kwamen uit een andere wereld. Ik een Marokkaanse tiener, hij een Vlaamse man die bijna met pensioen ging. We hadden weinig gemeen. Maar die winteravond, in die kleine rokerige Peugeot, gebeurde er iets tussen ons.

Niet met woorden, maar in stilte.

En ik heb dat altijd met mij meegedragen.

Er gebeurde iets tussen ons. Niet met woorden, maar in stilte

Ik ben heel lang docent geweest. En als ik terugdenk aan de kinderen die ik heb begeleid, in de klas of op het voetbalveld, probeer ik ook terug te denken aan meneer B.

Zijn zwijgzaamheid. Zijn kalmte. De manier waarop hij zijn voet op het gaspedaal zette als ik dat niet kon vinden. Hij heeft letterlijk ons leven gered. Maar hij heeft me ook meer geleerd dan autorijden.

Hij leerde me hoe je voor iemand kunt opkomen, ook als het moeilijk is. Juist als het moeilijk is. En voor een docent is dat alles.

Dank u, meneer B, dat u mij een tweede kans hebt gegund. Dat u mij hebt gezien. Dat u in mij geloofde.

Ik hoop ten diepste dat het geen ijdele hoop was.

En hoewel het inmiddels veel te laat is, wil ik tot slot toch nog zeggen: het spijt me dat ik ons op die winteravond, jaren geleden, bijna heb doodgereden.