Het westerse debat over hoe we moeten oordelen over de gebeurtenissen in de Gazastrook sinds 7 oktober 2023 en de Israëlische oorlog in de Palestijnse enclave, stelt de juridische en historische grondslagen ter discussie die de ‘misdaad der misdaden’ definiëren, namelijk het unieke karakter en de centrale plaats van de holocaust.
Hoe moeten we de vernietiging van een wereld noemen? De uitroeiing van haar kinderen? De verpulvering van haar ziekenhuizen? Het opblazen van haar sociale structuur? Hoe moeten we de verdwijning beschrijven van de weg van een niet meer bestaand huis naar een school die in de as is gelegd? Het verzwelgen van de herinnering? De rouw wanneer de dood zelf wordt vermoord, wanneer in één stuk sterven een luxe is en wanneer van zowel begrafenisrituelen als begraafplaatsen niets meer over is? En hoe moeten we de vormen van verzet en solidariteit beschrijven die verweven zijn met ruïnes, bloed en honger? Wat vertellen die over de strijd van de mens om zijn menselijkheid te redden?
‘Urbicide’, ‘domicide’, ‘ecocide’, ‘scolasticide’, ‘culturicide’, ‘futuricide’… Het lexicon lijkt tegenwoordig ‘cides’ tekort te komen om het onbeschrijflijke leed te beschrijven dat de Gazastrook wordt aangedaan. In een context van internationaal nietsdoen – ja zelfs van veronderstelde of stilzwijgende steun aan de oorlog van Israël tegen de Palestijnen – stelt deze terminologische opeenstapeling, waarin soms sprake is van neologismen, ons in staat de verschillende vormen van politiek geweld te benoemen die de enclave worden aangedaan. Maar het is ontoereikend om het peilloos diepe leed van de bevolking te beschrijven. Want er is iets wat in klare taal moet worden geformuleerd. En wat onuitsprekelijk is.
Toch proberen de Palestijnen sinds de bloedige aanslagen van 7 oktober in Israël en de daaropvolgende vernietiging van Gaza hun dagelijks leven tijdens de bezetting in woord en beeld te beschrijven, ondanks de gedwongen verplaatsingen en de angst voor deportatie. Naast hun waardevolle getuigenissen zijn er de vernietigende rapporten van internationale ngo’s die niet aarzelen om het taboewoord te gebruiken, het woord dat de misdaad der misdaden omschrijft. Om nog maar te zwijgen van soortgelijke interventies van vooraanstaande Holocaustspecialisten, onder wie de Israëlische historici Raz Segal, Amos Goldberg en Omer Bartov. Nog symbolischer is dat het Internationaal Gerechtshof – het orgaan dat kan worden ingeschakeld om geschillen tussen staten te beslechten – op 26 januari 2024 heeft geoordeeld dat het risico van genocide op de bevolking van Gaza aannemelijk is.
Dat is inmiddels meer dan anderhalf jaar geleden. Sindsdien is er niets gebeurd. De westerse bondgenoten van Israël hebben af en toe hun stem verheven, maar concrete actie hebben ze nooit ondernomen. Het ‘g-woord’ daarentegen heeft tot nu toe een storm van verontwaardiging doen opsteken.
Moeilijke opgave
Het is hier niet de bedoeling de legitimiteit in twijfel te trekken van de discussie onder genocidespecialisten over de juridische kwalificatie van de wreedheden die in de enclave worden begaan. Uit de desbetreffende jurisprudentie blijkt dat internationale instanties vaak voor een restrictieve benadering kiezen bij hun interpretatie van het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide uit 1948. Vaststellen dat jegens een bevolkingsgroep gepleegde handelingen ‘zijn gericht op het geheel of gedeeltelijk vernietigen van een nationale, etnische, raciale of religieuze groep als zodanig’, zoals het genoemde verdrag vereist, is een bijzonder moeilijke opgave aangezien genocidale intenties in het verleden tot een vrijwel onhaalbare norm zijn verheven.
In het westerse debat roept het gebruik van de term ‘genocide’ in relatie tot Gaza echter een weerstand op die veel verder gaat dan de juridische context en een zeer gevoelige snaar raakt, niet alleen politiek maar bijna identitair. Alsof er iets existentieels in twijfel wordt getrokken. Een kijk op de wereld. Een diepgewortelde overtuiging die, als ze wordt onderuit wordt gehaald, ‘alles’ op losse schroeven zet. Een ‘alles’ dat zich in twee vormen manifesteert, gescheiden en complementair.
In het Westen geldt Israël tot op de dag van vandaag als het toevluchtsoord voor het Joodse volk na eeuwen van vervolging, die culmineerden in de holocaust. Toch speelt de Jodenmoord een centrale rol in het ontstaan van het juridische concept ‘genocide’ enerzijds en de ontwikkeling van genocidestudies anderzijds. Het is er het paradigmatische voorbeeld van, ‘de toetssteen voor alle verschijnselen van collectieve criminaliteit’, aldus de [holocaust]historicus Saul Friedländer.
‘Urbicide’, ‘domicide’, ‘ecocide’, ‘scolasticide’, ‘culturicide’, het lexicon lijkt tegenwoordig ‘cides’ tekort te komen om het onbeschrijflijke leed te beschrijven…
Tegelijkertijd verschillen de deskundigen al lange tijd van mening over het unieke karakter van de holocaust: volgens sommigen zou elke vergelijkende benadering onvermijdelijk tot een banalisering leiden van een misdaad die vanwege zijn georganiseerde, bureaucratische en industriële karakter zijn weerga niet kent en die niet gericht was op het onderwerpen en verdrijven van een bepaalde bevolkingsgroep maar op het simpelweg van de aardbodem vagen van die groep. Anderen nemen een minder absoluut standpunt in en stellen dat vergelijken niet hetzelfde is als assimileren: door elke vergelijking van de hand te wijzen minimaliseren we niet alleen de genocides – en meer in het algemeen het massale geweld – die eraan zijn voorafgegaan of erop zijn gevolgd, maar dragen we er ook toe bij dat de holocaust als een onbegrijpelijke gebeurtenis wordt afgedaan die buiten de geschiedenis en de politieke werkelijkheid staat en bijna metafysisch is.
Ongeacht de vraag of er vergelijkingen mogen worden getrokken met de Armeense genocide, die van de Tutsi’s in Rwanda of de Bosniërs in Srebrenica, is de huidige situatie in Gaza veel controversiëler. Want wie in dit geval ruimte laat voor de mogelijkheid dat de ‘misdaad der misdaden’ tegen de Palestijnen wordt gepleegd, laat ruimte voor de hypothese dat Israël de schuldige is.
‘Veel collega’s kunnen maar erg moeilijk accepteren dat een land van slachtoffers zelf genocide kan plegen,’ legde Ugur Ümit Üngör, Holocaust- en genocidedeskundige aan de Universiteit van Amsterdam, in december 2024 uit aan The Guardian. ‘Maar worden we, nu Israël deze bloedbaden aanricht, niet geacht daarover net zo te oordelen als we bij alle andere geweldsdelicten hebben geleerd?’
Deze overgevoeligheid in het geval van Israël roept vragen op. Ze wekt in zekere zin de indruk dat wetenschappelijk onderzoek naar massaal geweld en de voorwaarden daarvoor nergens toe leidt. Alsof de status van slachtoffers en beulen in marmer gebeiteld staat, los van de machtsverhoudingen, ideologieën en de politieke context die op een bepaald moment in de geschiedenis op elkaar inwerken. Alsof het uitgesloten is dat Israël, simpelweg omdat het Israël is, in zijn hoedanigheid van staat ooit genocide zou kunnen plegen, net zomin als andere staten. Antisemieten portretteren de Jood als een apart wezen dat verantwoordelijk is voor alle wereldproblemen. Een groot deel van de zionisten portretteert de Israëlische Jood als een apart wezen waarop de banaliteit van het kwaad geen vat heeft.
Beklaagdenbankje
Vooral door de omvang van de misdaden die in de Palestijnse enclave worden gepleegd zit het liberale Westen ook zelf in het beklaagdenbankje. Palestina zet vraagtekens bij een grondregel die al lange tijd gemeengoed is onder genocideskundigen, namelijk dat westerse democratieën een rol kunnen of moeten spelen bij het voorkomen van massaal geweld. Het hoofdstuk dat op 7 oktober is geopend bevestigt echter dat de ergste misdaden niet noodzakelijkerwijs een inbreuk zijn op de liberale internationale orde die door het Westen is gegrondvest, maar ook juist door die orde kunnen worden gesteund.
De verdeeldheid over Gaza is ook een illustratie van een conflict tussen enerzijds een liberale school en anderzijds een ‘postkoloniale’ school die zich onder andere heeft verdiept in de uitroeiing van inheemse volkeren tijdens de kolonisering van Noord- en Zuid-Amerika of Australië. En die daarin parallellen ziet met de Palestijnse kwestie.
Gaza is het enige geval sinds de Tweede Wereldoorlog waarin de mogelijkheid van genocide zo’n direct, officieel en openbaar beroep doet op het verantwoordelijkheidsgevoel van westerse democratieën. Dit specifieke karakter doet denken aan andere massamisdaden – denk aan die van Frankrijk tijdens de oorlog in Algerije of van de Verenigde Staten in Vietnam – die gemarginaliseerd of grotendeels onbestraft zijn gebleven in een geschiedenis waarin de liberale moraal van het globale Noorden de boventoon voert, ook al staat een belangrijk deel van de politieke opinie en de media in datzelfde Noorden kritisch tegenover zo’n minimalisering, om niet te zeggen ontkenning van deze misdrijven.
Al het aangedragen bewijs wordt als onvoldoende beschouwd.
Het geweld in de Gazastrook roept reacties op die daar bedroevend veel op lijken. Al het aangedragen bewijs wordt als onvoldoende beschouwd. Elk misdrijf wordt nu eens ontkend, dan weer gerechtvaardigd, of allebei tegelijk. Maar anders dan andere voorbeelden van extreem geweld in de recente geschiedenis is het leed in de enclave overvloedig gedocumenteerd, zonder dat in twijfel wordt getrokken dat een groot deel van de westerse politiek en media mede schuldig is aan de minimalisering, om niet te zeggen ontkenning van de misdrijven.
In een artikel uit januari 2024 wees de Singaporese antropoloog Darryl Li erop op dat het idee dat Israël zich schuldig zou kunnen maken aan genocide een lawine van artikelen heeft ontketend waarin het nut van het begrip in twijfel wordt getrokken. Hoewel het begrip genocide natuurlijk niet boven alle kritiek verheven is, moet worden gezegd dat die verbijsterend scherp is nu het om de nauwste bondgenoot van het Westen in het Midden-Oosten gaat. Volgens Li voorspelt deze wens om de terminologie in de huidige context buitenspel te zetten ‘een toekomst waarin de machthebbers besluiten dat als het gebruik van het woord “genocide” hun onwelgevallig is, het niet langer gebruikt mag worden’.
De intentiekwestie
‘Als de intentiekwestie, die dominant is in het juridische discours, de overhand krijgt in de holocaust- en genocidestudies, werpt ons dat decennia terug in de tijd’, schreef Amos Goldberg in oktober 2024. Want een intentie evolueert uit eigen beweging. Ze kan zich steeds meer opdringen in de loop van een conflict en behoort bovenal tot een politieke context waarin de ander ontmenselijkt wordt en de expliciet geformuleerde wens van een mens geen enkele rol meer speelt. Goldbergs samenvatting luidt dat ‘de wet een moment vereist waarop de mentale component overeenkomt met de daad en waarop de twee elementen versmelten tot de misdaad van genocide. Historici daarentegen begrijpen dat intentie dynamisch, niet-lineair en vol tegenstrijdigheden en complexiteiten kan zijn.’
De intentionaliteitsvraag leidt in het geval van Gaza tot nog verhittere discussies omdat Israël beweert daar een oorlog te voeren tegen Hamas, waarbij wordt ingehaakt op een veiligheidsretoriek waarin deels de westerse zorgen doorklinken die zijn ontstaan op 11 september 2001 en worden aangewakkerd door de daaruit voortvloeiende ‘oorlog tegen het terrorisme’.
Israël beweert oorlog te voeren tegen Hamas, inhakend op veiligheid
Zo heeft Israël bij monde van zijn politieke en militaire leiders tal van verklaringen afgelegd waarin weinig twijfel wordt gelaten over wat men met Gaza en zijn inwoners van plan is. Maar om het discours en de daaruit voortvloeiende handelingen niet in een genocidaal daglicht te zetten worden er militaire en veiligheidsmotieven van stal gehaald: men heeft het niet op de Palestijnen gemunt maar op Hamas, dat in het sociale weefsel van Gaza is geïnfiltreerd en daarvoor een existentiële dreiging vormt.
De Israëlische argumentatie wordt echter ontkracht door het feit dat meer dan tachtig procent van de infrastructuur van de enclave is vernietigd, de overgrote meerderheid van de doden uit vrouwen en kinderen bestaat, er blindelings wordt gebombardeerd en honger als oorlogswapen wordt gebruikt.
De Israëlische regering maakt er geen geheim van dat het primaire doel is de islamistische groepering te vernietigen en de bevolking uit de enclave te verjagen. De Israëlisch-Amerikaanse historicus Omer Bartov schreef hierover op 15 juli jongstleden in The New York Times: ‘Wanneer een etnische groep nergens heen kan, voortdurend van de ene zogenaamde veilige zone naar de andere wordt verdreven en meedogenloos wordt gebombardeerd en uitgehongerd, kan etnische zuivering ontaarden in genocide.’
Unieke kenmerken
Hoewel het van het essentieel belang is de moord op Gaza en zijn inwoners binnen de historische continuïteit van massageweld te plaatsen, heeft de Palestijnse zaak toch haar eigen unieke kenmerken. Zowel de gebeurtenis als het proces dat zich momenteel in de enclave voltrekt houdt direct verband met de Nakba [Arabisch voor ‘catastrofe’, waarmee de gedwongen massale verbanning van Palestijnen bij de oprichting van Israël wordt bedoeld]. Het jaar 1948 luidde de voortdurende onteigening van een volk in, met etnische zuivering, bezetting, apartheid en nu ook uitroeiing als koloniale modaliteiten om de Palestijnen van hun land te beroven.
In een artikel in de Columbia Law Review pleit de Palestijnse rechtsgeleerde Rabea Eghbariah voor erkenning van de ‘Nakba’ als begrip in de internationale rechts- en genocidewetenschap, om de aard van het ‘overheersingsregime in Palestina’ beter te begrijpen. Hoewel bezetting, apartheid en genocide als juridisch begrippen van toepassing zijn op de Palestijnse zaak, volstaan ze volgens Eghbaria niet om de specifieke kenmerken daarvan te begrijpen. ‘Historisch en conceptueel gezien bevond de Nakba van 1948 zich op het kruispunt van de holocaust en de apartheid in Zuid-Afrika. Daardoor is het mogelijk een onafhankelijk kader te creëren dat de juridische kwesties structureert en verder gaat dan een simpele analogie’, schrijft hij.
Ineffectiviteit
Hoewel ons vanuit Gaza ondraaglijke beelden bereiken van een door de bezettingsmacht georkestreerde hongersnood, valt nu nog moeilijk te voorspellen welk vonnis het Internationaal Gerechtshof over enkele jaren zal vellen.
De vernietiging van de enclave is voorlopig het zoveelste bewijs van de ineffectiviteit van de beschikbare juridische middelen om de burgerbevolking te beschermen. Enerzijds omdat, vanaf het moment dat het Hof in januari 2024 concludeerde dat er een aannemelijk risico op genocide bestond, er alles aan gedaan had moeten worden om dit te voorkomen. Anderzijds omdat de nadruk op het gebruik van het begrip genocide tot een minimalisering kan leiden van alle massamisdrijven die niet als zodanig zouden worden aangemerkt.
Er wordt weinig twijfel gelaten over wat men met Gaza en zijn inwoners van plan is
In zijn boek The Problem of Genocide. Permanent Security and the Language of Transgression (2021) stelt de Australische historicus A. Dirk Moses voor om afstand te nemen van de in zijn ogen valse tweedeling tussen zogeheten genocidaal geweld, dat als apolitiek wordt beschouwd en uitsluitend zou worden gemotiveerd door rassenhaat, en politiek geweld, dat uit veiligheidsoverwegingen wordt gepleegd (de twee kunnen overigens met elkaar verweven zijn). Kortom, tussen ‘immoreel’ geweld en ‘legitiem’ geweld, waarbij verlies van mensenlevens als nevenschade wordt aangemerkt.
Welke lering er ook uit de huidige juridische beperkingen kan worden getrokken, het collectieve falen van de internationale gemeenschap inzake de moordpartij in Gaza roept ook vragen op over onze relatie met de erkende misdaden uit het verleden. Elk jaar vinden er vele herdenkingen plaats. Om niet te vergeten en onze herinneringen te kunnen doorgeven moeten we tot inkeer komen. Maar wat moeten we precies doorgeven, en waarom? Welke betekenis kan worden gehecht aan het opbouwen van een gedeelde herinnering als die statisch blijft, verstard in ruimte en tijd en niet in staat de pijn van het heden te omarmen?