Indonesië bevindt zich op een gevaarlijk kruispunt. De rellen en plunderingen die eind augustus in verschillende steden plaatsvonden, hebben niet alleen verwoesting en angst veroorzaakt, maar zelfs levens geëist. De regering doet haar best om de situatie te kalmeren, maar zolang de wortels niet worden aangepakt, kan de woede elk moment weer de kop opsteken.
De aankondiging van de verhoging van de parlementaire toelagen [inclusief een maandelijkse verhuisvergoeding van 3000 dollar – ongeveer 2500 dollar; bijna tien keer het minimumloon in Jakarta – voor volksvertegenwoordigers die vaak niet in Jakarta wonen en daarom extra kosten maken voor huisvesting en verblijf in de hoofdstad] heeft de lang sluimerende frustraties alleen maar aangewakkerd. Deze malaise gaat terug tot het tijdperk van president Joko Widodo [2014-2024], onder wiens bewind de democratie verzwakte, burgers bij de ontwikkeling van het land naar de zijlijn werden geduwd en de wet werd ingezet voor persoonlijk gewin.
De machtsovername door Prabowo Subianto [algemeen bekend als ‘Prabowo’] heeft deze trends alleen maar verergerd, met beleid dat de ongelijkheid enkel vergroot. Het dagelijks leven van Indonesiërs wordt steeds moeilijker: de rijstprijs stijgt ondanks overheidsmaatregelen, de werkloosheid neemt toe door afname van formele banen en afgenomen consumptie. President Prabowo’s ingrijpende bezuinigingen – bedoeld om programma’s zoals gratis schoolmaaltijden te financieren – zorgen voor economische onrust en ondermijnen investeerdersvertrouwen. Prabowo lijkt ondertussen gevangen te zitten in zijn eigen bubbel. Hij blijft de successen van zijn regering verkondigen, ook al weet iedereen dat hij de genoemde cijfers grotendeels uit zijn duim zuigt. Het minachtende en arrogante commentaar van sommige gekozen functionarissen op de kritiek leidden tot zo’n grote woede dat demonstranten opriepen tot de ontbinding van het parlement (DPR), dat door velen wordt gezien als een stempelmachine voor presidentiële besluiten, ongevoelig voor het maatschappelijk leed.
Prabowo lijkt ondertussen gevangen te zitten in zijn eigen bubbel
De dood van motortaxichauffeur Affan Kurniawan, die op 28 augustus werd aangereden door een pantservoertuig van de Mobiele Brigade (Brimob), zette de publieke opinie zelfs in de meest afgelegen dorpen op scherp. Wat begon als een uiting van frustratie, groeide uit tot een explosie van woede. De menigte richtte deze op politici die haar gevoelens hadden gekrenkt en op symbolen van de arrogantie van elites en politie, zoals plaatselijke parlementsgebouwen en bureaus.
Al vanaf begin augustus waren er voor de oplettende politicus waarschuwingssignalen zichtbaar. Zo wakkerde in Pati, Midden-Java, een verhoging van de onroerendgoedbelasting met 250 procent een protest aan dat zich naar andere steden verspreidde. De dood van Affan was de olie op het vuur.
Provocateurs
In zo’n klimaat probeert altijd wel iemand van de chaos te profiteren. De gecoördineerde en systematische aard van de rellen en plunderingen lijkt verdacht, en er doen geruchten de ronde over de arrestatie van georganiseerde provocateurs achter de onrust – groepen die volgens sommige waarnemers doelbewust chaos hebben gecreëerd om de protesten te laten escaleren of in diskrediet te brengen.
Aangezien het geweld van de relschoppers ongebreideld kon doorgaan, maakte de politie een verlamde indruk. Het onvermogen van de ordediensten om de situatie in te dammen is zorgwekkend: het is niet alleen ineffectief, maar vergroot ook de kans dat de regering het leger inzet om de openbare veiligheid te handhaven – of zelfs de staat van beleg afkondigt.
Daar zijn we nog niet, maar Prabowo’s uitspraken geven het leger wel degelijk stof tot nadenken. Zijn expliciete bevel aan soldaten om de rellen neer te slaan, ondermijnt het principe dat in een democratie de burgerlijke macht boven de militaire staat. Geconfronteerd met een falende regering rust er een verantwoordelijkheid bij de samenleving zelf om verdere escalatie te voorkomen. Geweld en wreedheden mogen niet worden genormaliseerd. Het is aan burgers om de solidariteit te versterken, universiteiten opnieuw tot moreel baken te maken en de pers haar kritische rol te laten behouden. In zulke tijden moeten we elkaar beschermen.