Hoewel Umm Sila al sinds 1986 bij de vrouwenpolitie in Aden werkt, werd haar geïmproviseerde huis gesloopt. De oude vrouw was ziek en bedlegerig en woonde al meer dan dertig jaar met haar dochter Sila Ahmed en haar kleinkinderen in de wijk Al-Irsal in Aden.
De buurt staat bekend als een sloppenwijk, met hutten of gebouwen van baksteen en hout. In april 2025 hoorde Sila Ahmed, terwijl ze het ontbijt klaarmaakte voor haar zeven kinderen, een ongebruikelijk geluid dat de woning naderde. Ze werd overrompeld door een hele stoet aan voertuigen met veiligheidsdiensten van verschillende eenheden, waaronder vrouwelijke politieagenten, en enorme bulldozers.
De operatie begon met de massale sloop van 95 huizen waar meer dan 138 gezinnen woonden. De opgegeven reden voor de sloop was dat de gebouwen in strijd zouden zijn met de bouwwetgeving; het zou gaan om ‘sloppenwijken’. De bewoners waren vooraf niet op de hoogte gesteld en kregen geen alternatieve huisvesting of enige vorm van compensatie aangeboden. De wijk Al-Irsal ligt in het Al-Mamdara-gebied van het district Sheikh Othman, in het gouvernement Aden. Hoewel dit gouvernement administratief onder de internationaal erkende regering valt, heeft het geen rechtsmacht in Aden en is de feitelijke autoriteit de Zuidelijke Overgangsraad [een afscheidingsbeweging die streeft naar de heroprichting van Zuid-Jemen].
Sila Ahmed (43) zit huilend naast haar bejaarde moeder en vertelt over de verschrikkingen die ze meemaakte toen de veiligheidstroepen arriveerden: ‘Mijn dochters werden gek van angst, een van hen viel flauw. We konden hen en onszelf niet beschermen. Alles wat we in de loop van dertig jaar met maar een schop hadden opgebouwd, verging bijna tot stof.’
Buurtcommissie
De zevenenvijftigjarige Shawqi Klieb woonde ook in de buurt. Hij is afgestudeerd in de mediastudies, lid van de buurtcommissie en hij verloor zijn broer in de burgeroorlog van 2015. Hij vertelt over de situatie in de buurt waar de bestorming en evacuatie plaatsvonden: ‘De ploegen kwamen plotseling binnen, sloopten delen van drie huizen, haalden het meubilair weg en sleepten mensen die zich probeerden te verzetten mee in militaire voertuigen. Zelfs gehandicapten werden niet gespaard. Wij staan niet op de kaart; zelfs humanitaire organisaties werd de toegang ontzegd om ons te kunnen helpen.’
De buurtcommissie is opgericht door leden van de lokale gemeenschap om de bewoners te vertegenwoordigen, te helpen bij het oplossen van hun problemen en de communicatie met lokale overheden en maatschappelijke organisaties te faciliteren.
Klieb beweert dat hier sprake was van ‘duidelijke klassendiscriminatie’ en dat dit ‘geen toepassing van het systeem of de wet was, maar eerder een wraakactie tegen de armen’. Volgens Klieb is het een selectieve en onrechtvaardige praktijk die alleen de armen en gemarginaliseerden treft.
dit was geen toepassing van het systeem of de wet, maar eerder een wraakactie tegen de armen
Salah Dabwan, secretaris-generaal van de Nationale Unie voor de Armen, vertegenwoordigt als advocaat meerdere gezinnen die getroffen zijn door de beslissingen in de wijk. Hij is het met Klieb eens en vertelt Raseef22 dat de autoriteiten in Aden een dubbele standaard hanteren bij het toepassen van de wet, aangezien ‘de gesloopte sloppenwijken van de armen via deals aan handelaren worden gegeven. De wet wordt toegepast op mensen zonder invloed, maar wordt genegeerd zodra er wat te verdienen valt.’
‘We worden geconfronteerd met een massale gedwongen uitzetting, die in strijd is met het Jemenitisch en internationaal recht,’ aldus Dabwan, die spreekt van discriminatie tegen de sloppenwijkbewoners. ‘De druk vanuit de gemeenschap heeft de sloop tijdelijk stopgezet. Maar we werken aan wettelijke bescherming via de administratieve rechtbank.’
Dabwan legt uit dat wat er gebeurt een gevaar vormt voor ongeveer 138 gezinnen die ‘zonder duidelijke wettelijke basis’ met ontheemding worden bedreigd. En dat terwijl hun huizen er al sinds de jaren negentig staan, nog vóór de uitvaardiging van wetten die informele bouw in het land strafbaar stellen. Hij benadrukt dat de bewoners van Al-Irsal dus al meer dan dertig jaar in dit gebied wonen en dat hun huizen hun ‘enige toevluchtsoord’ vormen. Ze kunnen niet als overtreders of criminelen worden behandeld zonder rekening te houden met de humanitaire en sociale omstandigheden waarin deze woongemeenschappen zijn ontstaan. ‘Elke uitzettingsoperatie op dit moment is daarom een flagrante schending van de grondwettelijke beginselen die het recht van burgers op huisvesting en op een beroep op de rechterlijke macht garanderen,’ aldus Dabwan.
Nationale wetten
Hij voegt eraan toe dat de uitvoerende macht met de evacuatie van deze woningen de wet overschrijdt en voorbijgaat aan de essentie van de bescherming die wordt gegarandeerd door de Grondwet en nationale wetten. Dan gaat het onder meer om artikel 1178 van het Burgerlijk Wetboek, dat vereist dat de betrokken partijen op de hoogte worden gesteld van het besluit en dat zij hiertegen in beroep kunnen gaan voordat het wordt uitgevoerd. Of om artikel 49 van de Bouwwet, dat vereist dat officiële waarschuwingen op geleidelijke wijze worden uitgevaardigd en dat er altijd een mogelijkheid is om de situatie te corrigeren, en dat de uitvoering van een sloop alleen toestaat op bevel van de bevoegde rechtbank.
De advocaat verwijst ook naar artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, waarin wordt bevestigd dat de onschendbaarheid van huizen wordt beschermd en dat ze alleen mogen worden gesloopt op basis van een gemotiveerd gerechtelijk bevel. Hij merkt op dat ‘het verdedigingsteam van de huiseigenaren juridische en humanitaire wegen heeft bewandeld en steun van de gemeenschap heeft verzameld om de getroffen gezinnen te beschermen. Dit onderstreept de omvang van de inspanningen die worden geleverd om de huisuitzettingen te stoppen. Het laat zien dat de bewoners zich niet verzetten tegen de toepassing van de wet, maar juist eisen dat deze wordt uitgevoerd met rechtvaardigheid en rekening houdend met grondwettelijke en sociale rechten.’
Dabwan waarschuwt dat het bedreigen van deze gezinnen met uitzetting, nog voordat er een definitieve rechterlijke uitspraak is gedaan, een ernstige schending is die niet alleen hun recht op onderdak bedreigt.
Uit de interviews die Raseef22 ter plaatse heeft afgenomen blijkt dat een aantal bewoners van deze informele woningen de offers betreuren die ze tijdens de burgeroorlog hebben gebracht ter verdediging van Aden. Nu worden ze geconfronteerd met maatregelen die ze als ‘racistisch’ beschouwen. Ze zijn van mening dat de opkomst van de luxe gebouwen naast hun sloppenwijken heeft geleid tot druk van investeerders op de lokale autoriteiten om hun bescheiden woningen te slopen, onder het voorwendsel dat ze ‘het stadsbeeld verstoren’. En dat terwijl de moderne gebouwen zelf buiten de officiële planning en zonder vergunningen zijn gebouwd. Zayed Saif, een buurtbewoner en vader van zeven kinderen, vertelt: ‘Wij waren degenen die Aden beschermden tijdens de oorlog in 2015, en nu beloont de staat ons door ons te verdrijven. Mijn buren hebben huizen gebouwd op informele nederzettingen, maar omdat ze de autoriteiten betaalden, heeft niemand ze aangesproken. Zijn wij de enigen die het landschap ver- pesten?’
De staat
Hussein Ahmed, al vijfendertig jaar bewoner van de wijk en vader van een van de vele slachtoffers van de burgeroorlog, is het daarmee eens. Hij beschouwt wat hun wordt aangedaan als gedocumenteerd verraad door de staat zelf. ‘De staat die we aan het front hebben verdedigd, stuurt nu zijn manschappen om ons te verdrijven. Dit is niet de sloop van een provisorisch gebouw, het is het wegnemen van een mensenleven,’ zegt hij.
Ahmed bin Ahmed, een voormalig soldaat die zijn been verloor door een ontploffende landmijn, zegt: ‘Er is momenteel geen staat. Er zijn handelaren die de locatie willen hebben, en de autoriteiten maken het hun gemakkelijk. We vragen alleen om een alternatief of om compensatie, en dan zullen we de plek verlaten. Maar het is voor ons onmogelijk om op deze manier te vertrekken.’
In een poging een officieel antwoord te krijgen namen we contact op met Nabil Abdul Hafeez Majed, de ondersecretaris van het ministerie van Openbare Werken en Wegen in Aden. Gevraagd naar het technisch onderzoek van het gebied, de beoordeling van de geschiktheid voor verwijdering en de criteria die worden gehanteerd voor het uitvaardigen van ontruimings- en sloopbevelen, verwees hij door naar Walid Al-Sarari, directeur-generaal van Openbare Werken van het gouvernement. Uiteindelijk kwam er een antwoord van de adjunct-directeur-generaal van Openbare Werken van de gouverneur van Aden, Fawzi Mubarak: ‘Helaas hoorde ik dit nieuws op sociale media; wij waren er niet bij betrokken. Ons is als dienst Openbare Werken van het gouvernement ook niet om overleg gevraagd, omdat de kwestie primair de dienst Openbare Werken van het district Sheikh Othman en de lokale overheid aldaar aangaat.’
Geen reactie
Ook bleef een reactie uit van de media-adviseur van het district, Khaled Al-Sabrati, ondanks onze herhaalde vragen wat de juridische basis was voor het afbreken van de informele huisvesting, of het district van plan was de gezinnen te herhuisvesten, of er compensatie aan hen zou worden betaald en waarom er geen soortgelijke maatregelen waren genomen tegen de illegaal gebouwde commerciële panden. Had het district overleg gepleegd met het ministerie van Volkshuisvesting, voordat het besluit werd genomen? Advocaat Hoda Al-Sarari, hoofd van de Defense for Rights and Freedoms Foundation, is van mening dat de uitzettingsbevelen een flagrante schending vormen van internationale normen. ‘Volgens het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten mag geen enkele uitzetting plaatsvinden zonder alternatieven te bieden of transparant overleg te voeren. De VN-principes uit 2007 inzake gedwongen uitzettingen stellen dat uitzetting alleen als laatste redmiddel mag worden uitgevoerd. Aan geen van deze voorwaarden werd in de wijk Al-Irsal voldaan.’
De onbuigzaamheid van de autoriteiten tegenover de bewoners van Al-Irsal getuigt dus van discriminatie en machtsmisbruik tegen kwetsbare personen die geen bezwaar maken tegen de wet, maar juist hopen op een eerlijke toepassing ervan, waarbij rekening wordt gehouden met hun erbarmelijke omstandigheden. Ondertussen dringen de officiële instellingen erop aan de arme bewoners te verwijderen om zo het landschap te verfraaien, mogelijk als beloning voor machtige en rijke Jemenieten.




