ls het schilderen van stillevens gelijkstaat aan het vastleggen van verval, dan is het niet meer dan logisch dat Rachel Ruysch uitgroeide tot een van de grootste stillevenschilders in de kunstgeschiedenis. Haar vader, Frederik Ruysch, was een internationaal beroemde balsemer. Hij kon het lijk van een door een kogel doorboorde admiraal transformeren tot het ‘verse karkas van een baby’, zei Samuel Johnson ooit. Hij kon dode kinderen veranderen in de meest serene versie van zichzelf, zozeer dat mensen ze wilden kussen, zoals Peter de Grote ooit deed.

Rachel Ruysch (1664-1750) wijdde zich aan het meest conventioneel mooie object in de natuur: de bloem, en groeide uit tot een van de beste bloemenschilders van Europa. Gedurende haar bijna zeventigjarige carrière schuwde Ruysch radicale vernieuwing en experimenten en koos ze voor de subtielste variaties op een thema. Geen grootse gebaren of avantgardistische manoeuvres. Alleen verfijning, focus en perfectie. Enkel bloemen en fruit.

Tegen de tijd dat Ruysch in de twintig was, werden er al gedichten over haar geschreven. Ze werd geprezen als een ‘bloemengodin’, beter dan Maria van Oosterwijck (een gevierd bloemenschilder in Amsterdam). In de dertig werd Ruysch de eerste vrouw die werd toegelaten tot de Confrerie Pictura, het schildersgilde in Den Haag. In de veertig werd ze persoonlijk uitgekozen als hofschilder voor Johann Wilhelm, keurvorst van het Heilige Roomse Rijk en een hooggeplaatste Duitse hertog. In de vijftig won Ruysch de loterij – letterlijk, met een bedrag van 75.000 gulden (vs. 8000 voor een herenhuis aan de gracht destijds).

Maar makkelijk was haar leven niet. Uitgesloten van Latijnse scholen, universiteiten en beroepsgilden had ze geen schildergenre kunnen nastreven dat haar aansprak – de bloemstillevens waren waarschijnlijk een keuze van haar vader, vanwege haar geslacht. Ondertussen baarde ze tien kinderen van wie er slechts zes de volwassen leeftijd haalden.

Ruysch voltooide haar laatste werk toen ze drieëntachtig was. Een klein doek dat meer tederheid ademt dan haar monumentale boeketten: een aarzelende tulp, een bescheiden meloen, losse wilde bloemen die op het moment dat ze geschilderd verheven worden tot het belangrijkste ter wereld wat er maar bestaat.
Wat kan een bloem zich nog meer wensen?

Dit is een ingekorte versie van The Woman who Perfected Flower Painting van Zachary Fine.



