



Tja joh nou

De opkomst van kunstmatige intelligentie verandert de contractuele verhoudingen tussen economische actoren ingrijpend – met name hun relatie tot tijd. Landen die vasthouden aan bestaande vormen van sociale bescherming dreigen daarbij achterop te raken, waarschuwt ondernemer Sami Mahroum in een opiniestuk in Le Monde.
Twee eeuwen lang was tijd het organiserende principe van het kapitalisme. Met de opkomst van fabrieken werd taakgericht werk vervangen door de discipline van de klok, van bellen, roosters en morele vermaningen tegen ‘tijdverspilling’. Arbeiders verkochten hun uren aan werkgevers. Arbeidswetten waren gebaseerd op de achturige werkdag en pensioenen werden berekend aan de hand van het aantal dienstjaren.
Dit systeem staat nu op de tocht omdat kunstmatige intelligentie de onderliggende logica ondermijnt. Neem een managementconsultant die twee uur lang drie AI-agents aanstuurt. Deze agents werken vervolgens twintig uur lang autonoom door en produceren een rapport met een waarde van vijftigduizend euro. Wordt de consultant voor twee uur, voor twintig uur of voor een vast percentage van de gecreëerde waarde betaald? Het oude, op tijd gebaseerde model heeft geen coherent antwoord op deze vraag.
Adam Smith (1723-1790), David Ricardo (1772-1823) en Karl Marx (1818-1883) stelden achtereenvolgens vast dat de waarde van een bepaald goed een weerspiegeling is van de hoeveelheid arbeid die nodig is om het te produceren. Maar alle drie begrepen ze, zij het op verschillende manieren, dat zo’n maatstaf enkel mogelijk was doordat menselijke tijd schaars was. Vanwege deze schaarste hebben degenen met zeggenschap over arbeid zeggenschap over de primaire waardebron.
De ‘natuurlijke’ schaarste aan menselijke tijd legt geen beperkingen meer op
Door de enorme productiviteit van AI is deze hypothese inmiddels achterhaald. De ‘natuurlijke’ schaarste aan menselijke tijd, die twee eeuwen lang de basis vormde van de economische theorie, legt geen beperkingen meer op. Met AI kan een consultant bijvoorbeeld in enkele uren analyses genereren die voorheen meerdere dagen in beslag namen.
Als arbeidstijd geen schaars goed meer is, verschuift de waarde naar de eigenaars van deze systemen of naar degenen die zeggenschap hebben over de toegang ertoe. De waarde van de technicus wordt minder bepaald door zijn gewerkte uren dan door zijn beheersing van de benodigde infrastructuur; de waarde van de consultant is gelegen in zijn geprivilegieerde toegang tot AI-systemen. Zoals Marx al voorspelde, leidt hogere productiviteit tot kapitaalaccumulatie en een toenemende concentratie van de productiemiddelen.
Naarmate AI de link tussen tijd en productie verder verbreekt, brokkelen moderne arbeidsovereenkomsten verder af. In plaats van één coherent systeem ontstaan drie verschillende en onverenigbare manieren om het economische leven te organiseren: kloktijd, machinetijd en persoonlijke tijd.
Kloktijd is de meest klassieke organisatiemethode: ze is van toepassing op omgevingen die een continue en gecoördineerde aanwezigheid vereisen. Verpleegkundigen draaien bijvoorbeeld diensten van twaalf uur en worden betaald op basis van die uren, ongeacht het resultaat. In hun contract staan hun werktijden en verantwoordelijkheden gespecificeerd. Een uur op de spoedeisende hulp telt even zwaar als een uur reguliere zorg. De contractuele afspraak is duidelijk: de werknemer moet aanwezig zijn en de toegewezen taken uitvoeren tegen een overeengekomen salaris. Waardecreatie wordt niet gemeten.

Machinetijd is continu en ononderbroken. Neem bijvoorbeeld een specialist op het gebied van cloudinfrastructuur bij een technologisch bedrijf. Officieel werkt hij veertig uur per week, maar in de praktijk vereist het systeem 24/7 beschikbaarheid. Als om drie uur ’s nachts een storing optreedt, moet de technicus misschien achttien uur achter elkaar doorwerken. Omdat zijn werktijd zo nauw verweven is met die van de autonome machine, is zijn bijdrage niet meer afzonderlijk vast te stellen en wordt hij betaald op basis van gewerkte uren of meetbare resultaten. Hij is eigenlijk een bewaker van de waarde die elders wordt gecreëerd. Bedrijven kiezen in zulke gevallen vaak voor vaste salarissen, die de werkelijke waarde verhullen zodat ze een groot deel van de productiviteitswinst zelf op kunnen strijken. Op die manier speelt deze contractuele onduidelijkheid het kapitaal in de kaart.
Persoonlijke tijd, daarentegen, is asynchroon en flexibel. Een consultant die ChatGPT gebruikt om zijn analytische werk in vier uur af te ronden en een rapport af te leveren ter waarde van vijftigduizend euro, behoudt zijn beslissingsbevoegdheid: hij evalueert de gegenereerde opties, selecteert de meest geschikte daarvan, interpreteert de context en lost pijnpunten op. Het contract is simpel: levering op datum X tegen prijs Y. Deze prijs weerspiegelt de expertise, de reputatie en de toegang tot AI-systemen van de consultant.
Bij kloktijd hebben werknemers geen zeggenschap over de infrastructuur of de prijs van hun arbeid
Elk van deze drie systemen berust op een eigen contractuele logica en verdeelt de zeggenschap over waardecreatie op een andere manier. Bij kloktijd hebben werknemers geen zeggenschap over de infrastructuur of de prijs van hun arbeid: de vergoeding blijft strikt gekoppeld aan het aantal gewerkte uren, ongeacht de gecreëerde waarde. Bij machinetijd onderhouden werknemers, die tevens toezichthouders zijn, een systeem dat niet van hen is; ze dragen een continue verantwoordelijkheid, terwijl hun vergoeding ondoorzichtig blijft.
Persoonlijke tijd keert deze verhouding om: de werknemer controleert de output, maar blijft afhankelijk van infrastructuur die door anderen worden beheerd.
De balans tussen deze drie systemen zal per land verschillen, afhankelijk van culturele en institutionele normen. Landen waar hiërarchische machtsverhoudingen cultureel acceptabel zijn (zoals de Verenigde Staten en Singapore) zullen waarschijnlijk sneller verschuiven naar systemen van machinetijd en persoonlijke tijd, waarin eigendom van systemen centraal staat en flexibele contracten de norm worden. In Duitsland en Frankrijk, waar arbeidsrecht en medezeggenschap de macht van het management beperken, is er meer ruimte voor menselijke handelingsvrijheid en wordt de inzet van AI in overleg met sociale partners bepaald.
In elk land staan beleidsmakers voor een ongekende uitdaging: het ontwerpen van coherente arbeidswetgeving om deze drie onverenigbare tijdsystemen te integreren. Hoe meer de vergoeding op basis van kloktijd wordt losgelaten, des te moeilijker wordt het om uniforme arbeidswetgeving te handhaven. Contracten met een vast tarief zullen waarschijnlijk vooral voorkomen bij werknemers met inspraak, terwijl de meeste anderen het risico lopen op een volatiele vergoeding op basis van ondoorzichtige criteria. Hoogopgeleide werknemers met sterke klantrelaties en technici bij grote technologiebedrijven zullen van deze transitie profiteren, maar voor anderen geldt dat niet.
Hoogopgeleide werknemers met sterke klantrelaties zullen van deze transitie profiteren, maar voor anderen geldt dat niet
Het gevolg is waarschijnlijk grotere sociale ongelijkheid in plaats van gedeelde welvaart.
Tijdsfragmentatie is bovendien niet alleen een nationaal fenomeen, maar speelt ook een rol in de wereldwijde concurrentie. Landen die snel overschakelen naar systemen op basis van machinetijd en persoonlijke tijd, zoals de Verenigde Staten en Singapore, zullen AI-intensieve goederen en diensten produceren tegen lagere kosten. Tegelijkertijd zullen landen die hun werknemers blijven beschermen op basis van kloktijd, zoals Duitsland, Frankrijk en Spanje, zich geconfronteerd zien met zware concurrentiedruk omdat hun export duurder zal worden.
Uiteindelijk zullen werknemers niet per se profiteren van een langzame overgang. De marktdruk zal beleidsmakers tot een moeilijke keuze dwingen: de transitie naar machinetijd en persoonlijke tijd versnellen om concurrerend te blijven, of de industrie zien verdwijnen doordat AI-intensieve productie zich elders vestigt.

Als gevolg van klimaatverandering duurt het pollenseizoen in Europa sinds de jaren negentig één tot twee weken langer. In de periode 2015-2024 begon het voor berken, elzen en olijfbomen één tot twee weken eerder dan in de periode 1991-2000. Dat blijkt uit het meest recente onderzoek naar de gevolgen van klimaatverandering voor de gezondheid in Europa. Warm weer en hoge concentraties koolstofdioxide zorgen ervoor dat planten meer pollen produceren, wat allergische reacties veroorzaakt bij mensen met hooikoorts en leidt tot symptomen die variëren van lichte irritatie tot levensbedreigend, , schrijft The Guardian.
De bevinding is misschien minder dramatisch dan de overstromingen en bosbranden die doorgaans met een opwarmende planeet worden geassocieerd, maar toch betekent ze een enorme toename van het gezamenlijke leed van tientallen miljoenen mensen, aldus de onderzoekers.

Steeds meer scholen zetten in op digitale leermiddelen, maar dat pakt niet altijd goed uit. Toen een Amerikaanse docent alle schermen uit zijn klas verwijderde, verbeterden de concentratie en prestaties van zijn leerlingen merkbaar, schrijft The Atlantic.
De docent besloot laptops en tablets volledig te bannen en terug te keren naar pen en papier. Binnen korte tijd merkte hij dat leerlingen alerter waren, minder afgeleid en actiever deelnamen aan de les. Ook maakten ze meer opdrachten af en werd het voor hem makkelijker om te zien waar leerlingen vastliepen.
Volgens hem zorgen schermen er vaak voor dat leerlingen sneller afhaken of zich achter technologie verschuilen. Digitale tools kunnen handig zijn, maar leiden in de praktijk regelmatig tot multitasking en verlies van focus.
Daarnaast maakt werken op papier het denkproces van leerlingen zichtbaarder: aantekeningen, fouten en verbeteringen zijn direct te volgen, wat gerichtere begeleiding mogelijk maakt. Dat zou niet alleen het leerproces verdiepen, maar ook de betrokkenheid vergroten.
In het Fuji Motosuko Resort in Japan bloeien van half april tot eind mei zo’n 500.000 shibazakura, ook wel mossvlox genoemd, in oogstrelende tinten roze, paars en wit. Anders dan kersenbloesems groeien ze op de grond en vormen zo een tapijt dat wekenlang blijft liggen. My Modern Met beschrijft de bloemenvelden die ongeveer 15.000 vierkante meter beslaan, vergezeld door kunstinstallaties zoals de reflecterende Sparkling Flower Drop Mirror en het Door to Happiness-uitkijkpunt dat de Mount Fuji omlijst. De overgefotografeerde berg wordt vanaf de bekendste instagramhoek afgeschermd voor het toerisme met een groot zwart scherm.

Die Zeit heeft in samenwerking met Duitse en Amerikaanse archieven een online zoekmachine ontwikkeld waarmee mensen kunnen achterhalen of hun voorouders lid waren van de nazipartij. Met de tool kunnen mensen miljoenen ledenkaarten van de NSDAP doorzoeken. Sinds de lancering begin april is de zoekmachine ‘miljoenen keren geraadpleegd en duizenden keren gedeeld’, aldus Die Zeit.
De NSDAP-ledenkaarten werden bijna vernietigd tijdens de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog, maar op het nippertje gered en aan de Amerikanen overhandigd, die ze in 1994 overdroegen aan het Duitse federale archief.

Tot voor kort konden mensen de ledenkaarten alleen raadplegen door een formeel verzoek in te dienen bij het Duitse archief. In maart dit jaar is het Amerikaanse archief begonnen zijn archiefstukken online beschikbaar te stellen.
De journalist Emanuel Fabian meldde op 10 maart op het liveblog van The Times of Israel dat er een raket was neergekomen in de Israëlische plaats Bet Shemesh en dat daarbij geen gewonden waren gevallen.
Kort daarop kreeg Fabian meerdere berichtjes en mailtjes binnen waarin hij onder druk werd gezet om zijn nieuwsbericht aan te passen. Het betrof geen raket, maar de brokstukken van een onderschepte raket. De journalist begreep niet waarom mensen dat detail zo belangrijk vonden. Totdat hij ontdekte dat de afzenders actief waren op het gokplatform Polymarket.
Wat was het geval? Mensen hadden geld ingezet op een weddenschap dat Iran op 10 maart een luchtaanval op Israël zou uitvoeren. Raketten en drones die onderweg werden onderschept, golden echter niet als een aanval, ook niet als ze in Israël landden of schade aanrichtten. Door bij de journalist erop aan te dringen zijn verslag te wijzigen, wilden degenen die ‘nee’ hadden gegokt alsnog hun gelijk halen en hun prijzengeld in de wacht slepen.
De berichtjes ontaardden op den duur in doodsbedreigingen. De journalist besloot aangifte te doen bij de politie. Hoewel Fabian zijn rug recht hield, laat zijn verhaal zien onder welke druk journalisten in onze tijd soms hun werk moeten doen.
Fans van William Shakespeare weten dat de grote toneelschrijver afkomstig was uit Stratford-upon-Avon. Maar hij maakte naam in Londen – hoewel er in de Britse hoofdstad nog maar weinig sporen van hem te vinden zijn.
Een recent ontdekte kaart uit de zeventiende eeuw werpt nieuw licht op het Londense leven van de toneelschrijver, schrijft The Independent. Voor het eerst is de exacte locatie bekend van het enige huis dat Shakespeare in de stad kocht, en waar hij mogelijk aan zijn laatste toneelstukken werkte. Volgens Shakespeare-onderzoeker Lucy Munro, die de kaart vond, voegt hij ‘extra stukjes van de puzzel’ van Shakespeares leven toe.
Historici wisten allang dat Shakespeare in 1613 een stuk grond kocht in de buurt van het Blackfriars Theatre, maar de exacte locatie was een mysterie. Een plattegrond van het Blackfriars-complex toont echter in detail Shakespeares huis: een aanzienlijke L-vormige woning, uitgehouwen uit het voormalige middeleeuwse Dominicanenklooster.

Het is niet zeker of Shakespeare in zijn Londense woning woonde of deze alleen verhuurde. Volgens Munro suggereren de grootte van het huis en de ligging op vijf minuten loopafstand van het Blackfriars Theatre dat hij aan het einde van zijn leven mogelijk meer tijd in Londen heeft doorgebracht dan algemeen wordt aangenomen.
Shakespeare liet het pand na aan zijn dochter Susanna, en het bleef nog een halve eeuw in de familie. In 1666 brandde het gebouw tot de grond toe af in de Grote Brand van Londen, die een groot deel van de middeleeuwse stad verwoestte.
In dit gebied, dat nu deel uitmaakt van het financiële district van de Britse hoofdstad, zijn nog maar enkele overblijfselen van Shakespeares Londen te vinden, waaronder een fragment van een muur van het voormalige Dominicanenklooster. Vlakbij herinnert de naam Playhouse Yard eraan dat hier ooit een theater stond.

Sinds kort probeer ik het leven van mijn kinderen iets moeilijker te maken. Of tenminste niet makkelijker. Als ze een probleem ervaren is de verleiding groot om er iets tegen te doen, maar die weersta ik dan. Ik help mijn huilende kleuter niet met zijn puzzel en ik geef hem geen zetje als hij het klimrek niet op durft. Ik tover in het weekend geen dichtgetimmerd activiteitenprogramma uit mijn hoed en sta dan ook geen tv toe. Ik laat hen worstelen met de existentiële vraag hoe de tijd door te brengen, een vraag die in de menselijke geschiedenis pas recentelijk is ontspoord door een cultuur van dwingende ouderlijke aandacht en nu door de graaiende klauwen van verstikkende technologie. Decennialang lieten ouders hun kinderen zonder enig toezicht in groepjes door de buurt dwalen, maar in de jaren negentig verschoof de opvoedcultuur richting ‘intensive parenting’: opvoeding met hoge betrokkenheid en ononderbroken contact, waarbij elke vorm van zelfredzaamheid als teken van verwaarlozing werd gezien. Ouders begonnen hun kleuters te schaduwen in de speeltuin, bij kinderpartijtjes waren er vaak meer ouders dan kinderen aanwezig en scholieren werden steeds vaker met de auto gebracht.
Er is een alomtegenwoordige druk voor ouders om te presteren, een druk die diep is geïnternaliseerd. Helikopterouders – ouders die constant om hun kinderen heen zoemen in zowel de fysieke als de digitale wereld – zijn inmiddels de norm. Bulldozerouders maken elk obstakel voor hun kind met de grond gelijk; ze springen tegen iedereen in de aanval, van docenten die te moeilijke opgaven geven tot andere kinderen die te lang op de schommel blijven zitten. Ze doen dit uit liefde, maar ook uit angst; we willen dat onze kinderen gelukkig en veilig zijn, en daarnaast willen we dat andere ouders ons als verantwoordelijk en betrokken zien.
Elke keer dat je als ouder grijpt, elke keer dat je je best doet om een driftaanval of teleurstelling uit de weg te gaan, voelt dat misschien als de juiste keuze. Maar experts waarschuwen dat zo veel controle op de lange termijn schadelijk kan zijn voor de psychologische en emotionele ontwikkeling van een kind. En nu technologie in elk aspect van ons leven is doorgedrongen, zijn schermen er om te sussen en af te leiden, waarmee ze voldoen aan de door ouders opgelegde verwachting van voortdurende interventie.
Ik raak er steeds meer van overtuigd dat het onvermogen om ook maar een moment van verveling, ongemak of frustratie te hebben zonder te grijpen naar een scherm of zintuiglijke afleiding, de beste geesten van mijn generatie heeft geruïneerd. Maar voor de kinderen is er nog hoop: misschien moeten we niet méér doen, maar juist minder. Ik heb mezelf daarom laten leiden door een nieuwe opvoedfilosofie: ‘obstacle parenting’. Bij obstacle parenting maak je de dingen een tandje moeilijker voor je kinderen en laat je ze hun problemen zelf oplossen. Mijn kleuter is gek op computerspelletjes, dus laten we haar gamen – niet op een iPad maar op een Macintosh uit 1997. Haar spanningsboog voor spellen als Lemmings of SimTower bedraagt ongeveer een half uur, waarna ze gefrustreerd raakt of zich begint te vervelen; deze spellen, die al meer dan dertig jaar oud zijn, waren niet bedoeld om verslavend te zijn of iemand urenlang te hypnotiseren. Ook zijn ze niet zo makkelijk te beheersen voor een vijfjarige. Toch begint ze er langzamerhand beter in te worden. Van mij hoeven die spellen niet sneller en flitsender te worden. Ze hoeven niet verrijkend of vermakend of zelfs educatief te zijn. Ik wil alleen maar dat mijn kind zelf iets probeert uit te vogelen, vooral als het moeilijk is, of saai.
Professor Jonathan Haidt van New York University, auteur van het boek Generatie Angststoornis, beargumenteert dat sociale media een ‘jeugdherprogrammering’ teweeg hebben gebracht, wat de afgelopen jaren heeft geleid tot een piek in psychische problemen en lijden onder tieners en jongvolwassenen. Haidt legt een verband tussen de verschuiving van ontdekking en vrijheid naar structuur en toezicht en de crisis onder jongeren, die volgens hem niet de kans hebben gekregen om de wereld zonder hun ouders te ontdekken en zo eigenschappen als zelfredzaamheid en zelfverzekerdheid te ontwikkelen. In plaats daarvan zitten ze thuis naar hun telefoon te staren.

In Canada vormen vijftien- tot vierentwintigjarigen de eenzaamste leeftijdscategorie; een vijfde van de alle tieners die zichzelf in 2019 als mentaal gezond beschreven, voelde zich in 2023 niet langer zo. Tieners doen vandaag de dag minder aan seks en drugs, waarschijnlijk doordat ze minder tijd met hun leeftijdsgenoten doorbrengen dan vroeger. Dat er sprake is van een crisis wordt algemeen erkend, maar Haidts conclusie (dat sociale media de boosdoener zijn) wordt alom betwist. Professor Candice L. Odgers van de Universiteit van Californië in Irvine schrijft in het blad Nature bijvoorbeeld dat het bestaande onderzoek de bewering dat sociale media mentale problemen veroorzaken niet ondersteunt. Wel is het zo dat jongeren met psychische problemen deze platforms eerder op een andere manier gebruiken.
Of Haidt het nou bij het juiste eind heeft of niet, ouders kunnen hun kinderen nooit eeuwig tegen het scherm behoeden. Onthouding is overigens nooit een effectieve strategie geweest om schade te voorkomen. De laatste jaren hebben veel overlegorganen in Canada, waaronder de Vancouver School Board (VSB), een verbod opgelegd op telefoons in het klaslokaal. Voormalig voorzitter van de VSB Patti Bacchus noemde dit soort maatregelen ‘een twintigste-eeuwse oplossing voor een eenentwintigste-eeuws probleem’. ‘Deze kinderen moeten worden opgeleid tot kritische wereldburgers,’ zei ze tegen de CBC, de Canadese publieke omroep. Met zulk soort beleid wordt overwerkte docenten alleen maar meer ver- antwoordelijkheid opgelegd. Je kan het heel goed eens zijn met de verbanning van verslavende invloeden uit scholen – zo mag je op school ook niet meer roken – en tegelijkertijd erkennen dat er betere oplossingen zijn dan het simpelweg wegnemen van beeldschermen.
Het verschil tussen 2025 en de voorspoedige jaren negentig ‘is niet dat iedereen toen beter kon omgaan met oningevulde tijd. Het zit hem erin dat tijd simpelweg oningevuld kon blijven zonder dat je meteen werd verzwolgen door gapende muil van het scherm’, aldus Kathryn Jezer-Morton in The Cut. Het is een treffende metafoor; als je je er niet tegen verzet, slokt het scherm alles om zich heen op. Rachel Kushner, die in Harper’s schrijft over haar zoon Remy en zijn passie voor oude raceauto’s, merkt op dat zijn klasgenootjes zich nauwelijks lijken te interesseren voor zijn zelfgebouwde wagens – in tegenstelling tot beveiliger op zijn school. Deze geeft aan dat de jeugd van tegenwoordig nauwelijks hobby’s heeft. Op Kushners vraag ‘Waarom niet?’ antwoordt hij: ‘Door het internet.’
En toen kwam generatieve AI, het ultieme zwarte gat voor alle nieuwsgierigheid. Met elk wetenschappelijk artikel dat uitkomt over de schadelijke effecten van generatieve AI raak ik steeds bezorgder over hoe afhankelijk mijn kinderen zullen worden van technologie. Op middelbare scholen en universiteiten gebruiken leerlingen sites zoals ChatGPT om hun opdrachten en essays te schrijven, waardoor creativiteit, kritisch denken en daarmee het volledige leerproces achterwege worden gelaten. Onlangs ontdekte een onderzoeker van MIT dat het gebruik van LLM’s (large language models, het soort AI dat ChatGPT ook gebruikt) voor schrijfopdrachten ‘potentiële cognitieve schade’ aanricht: in een periode van vier maanden zagen onderzoekers dat proefpersonen die LLM’s gebruikten ‘consequent slechter presteerden op neurale, linguïstieke en gedragsvaardigheden’.
Het droevige is dat veel jongeren inzien dat deze hulpmiddelen slecht voor ze zijn, maar ze evengoed gebruiken: uit een enquête onder 423 Canadese leerlingen bleek dat 59 procent van hen AI gebruikt voor huiswerk, ondanks dat de meesten toegaven dat ze daardoor minder leerden en het gevoel hadden af te kijken. Bij een ander onderzoek uit de VS onder volwassen tussen de achttien en zevenentwintig jaar bleek dat bijna de helft zou willen dat de platforms die ze dagelijks gebruiken, zoals Twitter en TikTok, nooit waren uitgevonden. Een eerstejaarsstudent aan de universiteit van Ontario zei in een recent artikel in New York Magazine dat ze vond dat ze verslaafd was aan ChatGPT en sociale media. Door regelmatig gebruik kwam ze in een spiraal terecht: ze keek urenlang filmpjes op TikTok (‘totdat mijn ogen pijn begon- nen te doen’) in plaats van haar huiswerk te maken, en zette vervolgens AI in voor laatstgenoemde taak. Voor veel gebruikers zijn deze apps geen hulpmiddel, maar een valstrik.

Technologie breidt zich natuurlijk steeds verder uit. Ik weet dat als mijn kinderen pubers zijn, er vast weer nieuwe technologie is waarover ik me zorgen kan maken. En mijn kinderen zijn niet gevrijwaard van de grijpende tentakels van AI; Mattel, de fabrikant van Barbie en Hot Wheels, kondigde onlangs een ‘strategische samenwerking’ aan met OpenAI (de makers van ChatGPT) om ‘de magie van AI met leeftijdsgebonden speelervaringen te combineren’. Maar dit soort specifieke gevallen van technologische implementatie zijn minder zorgwekkend dan wat ze blootlegt en uitbuit: een gebrek aan nieuwsgierigheid, een onwil om uitdagingen aan te gaan, een tekort aan zelfvertrouwen.
Dit zijn geen inherente eigenschappen, maar ze worden gevoed, deels door onze goedbedoelde neiging om kinderen bij elke stap bij te staan.
Elke generatie ouders probeert te leren van de fouten van de vorige generatie. Soms levert dit onmiskenbaar resultaat – zoals de uitvinding van kinderzitjes, en het feit dat kinderen minder worden geslagen. Maar vaak ook voelt het alsof we in plaats van veiligheid een marketingstrategie aangereikt krijgen, waarbij steeds nieuwe trends opkomen om de hardnekkige, existentiële angsten van het ouderschap te sussen. De Rapley-methode bijvoorbeeld, waarmee overgewicht en kieskeurig eten voorkomen kunnen worden; of gentle parenting, waarbij de nadruk ligt op het erkennen en verwerken van emoties. Deze strategieën suggereren dat de oplossing altijd ligt bij meer betrokkenheid en participatie. Met obstacle parenting wordt een nieuwe weg ingeslagen, waarbij het mijn plicht is mijn kinderen te behoeden tegen alle technologie die hun zintuigen afvlakt. Het doel is eenvoudigweg dat ze leren hun eigen verstand te gebruiken om de uitdagingen en problemen die zich voordoen het hoofd te bieden.
Ik ben lang niet de enige ouder die het zo aanpakt. Rheana Murray vertelt in The Atlantic het verhaal van een aantal ouders die in Portland, Maine collectief een vaste telefoon installeerden waarmee kinderen zelf afspraakjes konden maken of gewoonweg konden praten. ‘We vragen onze kinderen zelden om stil te zijn en met elkaar te communiceren,’ legt een ouder uit. Ook geven we ze onvoldoende vrijheid om zelfstandig te bewegen, al proberen steden hier wereldwijd verandering in te brengen door avontuurlijke speelplaatsen te bouwen die zijn ontworpen voor risicovoller en fantasierijker spel. De nauwe tunnelglijbanen en klimrekken van ontwerpen zoals de sθәqәlxenәm ts’exwts’áxwi7 (‘het regenboogpark’) in Vancouver maken het ouders moeilijker om hun kinderen achterna te gaan. Ze moeten het zelf maar uitzoeken. Uiteindelijk draait obstacle parenting om het ontwikkelen van concentratie en uithoudingsvermogen, twee vaardigheden die verloren zijn gegaan door uitbesteding aan de technologie. De ouders die vaste telefoons installeerden boekten succes doordat ze het gezamenlijk deden, en dat herinnert eraan dat we niet altijd volledig hebben vertrouwd op ouders alleen om hun kinderen groot te brengen. Er bestond een breder netwerk van vrienden en familie, buren en tieneroppassers. Tegelijkertijd kregen kinderen meer toegang tot hun leeftijdgenoten zonder dat elke interactie nauwlettend in de gaten werd gehouden. Structurele interventies, zoals de risicovollere speeltuin, helpen bij dit probleem; ze belichamen het principe dat ouders het niet allemaal zelf hoeven uit te vogelen. De verdwijning van zogeheten third places is een collectief probleem, en hetzelfde geldt voor onveilige straten die het vooruitzicht je kind alleen naar school te laten gaan angstaanjagend maken.
Obstacle parenting draait niet alleen om het overkomen van fysieke obstakels. Ik zie het meer als oefening in ouderlijke terughoudendheid. Ik laat mijn kinderen met rust als ze zich concentreren; als ze me om hulp vragen wacht ik even en kijk ik of ze zelf met een oplossing komen. Ik laat me verrassen door wat ze zonder mijn inmenging allemaal ondernemen en bedenken. Wel brengt het de vraag met zich mee wat ik op die momenten met mezelf aan moet. Als we onze kinderen willen aanleren om de lokroep van de technologie te weerstaan, moeten we het goede voorbeeld geven. Hier hebben veel volwassenen moeite mee, zelfs degenen onder ons die moeiteloos grenzen stellen aan de schermtijd van hun kinderen. Dit heeft er deels mee te maken dat mijn telefoon zoveel essentiële functies in mijn leven vervult. Of ik nou aan het werk ben, een afspraak inplan bij de dokter, reageer op belangrijk nieuws van een naaste of een samenvatting van een horrorfilm lees op Wikipedia, mijn kinderen zien eigenlijk maar één ding: ik staar naar mijn telefoon. Mijn zoontje begint mijn gedrag al uitstekend te imiteren en kon de camerafunctie van mijn telefoon openen voordat hij zijn eerste stapjes had gezet. De uitdaging van obstacle parenting is niet zozeer om de technologie weg te houden van mijn kinderen, maar van mijzelf.
Laatst vloog ik met mijn dochter van Toronto naar Vancouver en besefte me dat ik een schermloze vlucht voor de boeg had, of ik het nou wilde of niet; mijn telefoon was bijna leeg en ik moest het laatste beetje van de batterij gebruiken om bij aankomst mijn man te bellen, die ons zou komen ophalen. Gelukkig hadden we een boek met kleurplaten, een tekenblok en een pakje kleurpotloden bij ons, die ons het grootste deel van de vlucht door hielpen. We tekenden samen, bedachten woordspelletjes, babbelden over de leukste momenten van de vakantie en discussieerden over wat de beste manier is om een paard te tekenen: eerst het hoofd of eerst de benen?
Vier uur na het opstijgen liep ik door het donkere gangpad richting het toilet achterin het vliegtuig. het leek alsof ieder stil gezicht, jong en oud, werd verlicht door de gloed van een scherm. Ik keerde terug naar mijn stoel. De spelletjes waren op. ‘Ik verveel me,’ zei mijn dochter. ‘Soms moet je je vervelen,’ zei ik. We deden het zonneschermpje omhoog en keken naar de wolken. Met mijn dochters hoofd leunend tegen mijn schouder wachtten we samen de landing af.

Net als bij baby’s ervaren deze robots de fysieke wereld vooral door aanraking, en dat gaat met veel vallen en opstaan: ze vouwen broeken op en strijken kleding in de slaapkamer; ze maken maaltijden klaar, persen sap en wassen af in de keuken en ze schikken bloemen, dweilen en ruimen tafels af in de woonkamer. Elke robot heeft een eigen ‘trainer’ – een soort docent met een VR-headset. Met een controller doet zo’n trainer allerlei verschillende handelingen voor: optillen, vasthouden, trekken, gieten enzovoort. Elke beweging wordt ongeveer tweehonderd keer herhaald.
Dit is de superfabriek voor datacollectie in Zhiyuan, een van de grootste centra voor de verzameling van robotgegevens in de hele wereld. Hij is opgedeeld in vijf verschillende scenario’s: industrie, detailhandel, kantoor, horeca en particulier. Honderd trainers draaien dag- en nachtdiensten, samen met meer dan dertig analisten en tien beheerders die de data verzamelen en verwerken.
Af en toe treden er kleine foutjes op: een robot kan een waterkoker bijvoorbeeld niet rechtop houden
De faciliteit produceert per dag tussen de dertig- en vijftigduizend datapunten: stukjes multidimensionale informatie die worden vastgelegd door de bewegingen van de robots, informatie zoals waar een arm zich bevindt, hoe snel hij beweegt en wat voor effect dat heeft.
Af en toe treden er kleine foutjes op: een robot kan een waterkoker bijvoorbeeld niet rechtop houden, doet te veel kruiden in een gerecht of stoot een vaas omver. De trainers stellen hun bewegingen dan geduldig bij.
Hoe effectief is deze robottraining? Yao Maoqing, een directeur van Agibot, legt uit: ‘We bevinden ons nog in een vroeg stadium. Een robot kan op dit moment negen van de tien keer een glas water inschenken op een tafel die hij eerder is tegengekomen.’
Toch wil het bij onbekende scenario’s of objecten nog wel eens misgaan. Bovendien betreft het hier vooral op zichzelf staande vaardigheden; de robots zijn nog niet in staat om meerdere bewegingen te combineren.
Om de robots algemener te laten functioneren moet hun omgeving voortdurend worden aangepast en verfijnd. Zo veranderen de trainers regelmatig de verlichting, gebruiken ze objecten met verschillende vormen en verandert alles constant van plek.
Het uitbreiden van de AI-capaciteit (het ‘denkvermogen’) van een robot vereist veel data. Eerst worden multidimensionale fysieke gegevens – zoals beeld, fysieke impulsen en exacte bewegingen – geregistreerd en in een computerprogramma verwerkt, waarna ze weer in de robot zelf worden geïmplementeerd.
Toch blijft een gebrek aan gegevens de grootste bottleneck in de ontwikkeling van mensachtige intelligente robots.
Dit geeft Yao Maoqing ook zonder meer toe: ‘Datasets voor robots zijn veel te klein om grote taalmodellen (LMM’s) op te kunnen toepassen.’ Dit komt door fundamentele verschillen in het soort data: LLM’s baseren zich op een enorme hoeveelheid tekst die afkomstig is van het internet, terwijl data voor robots afhankelijk zijn van fysieke interacties met de wereld. Om een robot bijvoorbeeld aan te leren een glas water in te schenken moeten trainers allerlei informatie nauwkeurig registreren waaronder het armtraject, de kracht van de robothand, de temperatuur van het water, en zo voort.
Het is dan ook ongelooflijk duur om dit soort data te verzamelen. Nvidia Research maakte onlangs bekend dat voordat Tesla’s mensachtige robot Optimus een accu in een doos kon plaatsen, er een team van veertig personen nodig was om data te verzamelen. Optimus ‘fabrieksklaar’ maken zou miljoenen uren aan training en honderden miljoenen dollars vereisen.
Om deze uitdaging directer aan te gaan hebben verscheidene roboticabedrijven over de hele wereld hun datasets openbaar gemaakt om technologische uitwisseling en vooruitgang te bevorderen, zo ook AgiBot en Fourier Robotics.
Naast een-op-eeninstructie, waarbij een mens de training verzorgt, wordt er ook gewerkt aan goedkopere methodes, zoals robots foto’s en video’s leren interpreteren zodat ze bekender worden met menselijke handelingen.
AgiBot onthulde in maart het eerste Chinese ‘General Embodied Base Model’. Door online video’s van huishoudelijke taken te bekijken, zoals kookinstructies, kunnen robots de basisprincipes van het koken afleiden zonder voorafgaande praktische ervaring (zogeheten zero-shot learning). Zo kan een robot bijvoorbeeld herkennen dat water borrelt als het kookt, en dat je aardappels eerst moet schillen. Daarna is het alleen nog een kwestie van oefenen in de praktijk.

Aangezien de tech-industrie niet uitgepraat raakt over de ontwikkelingen omtrent AI, is het geen gekke gedachte dat er binnenkort menselijke robots op aarde zullen rondlopen.
Elon musk heeft het marktaandeel van Optimus, Tesla’s poging tot een mensachtige huishoudrobot, op 10 biljoen dollar geschat. Jensen Huang, directeur van Nvidia [een grote producent van computerhardware] voorspelde dat dit ‘de grootste tech-industrie ooit’ zal worden.
Met het grote aantal beginnende roboticabedrijven en de vloedgolf aan online filmpjes van tweevoetige robots die allerlei menselijke taken verrichten, lijkt de robotrevolutie een feit. LLM’s kunnen nu al complexe logische problemen oplossen, en het lijkt misschien eenvoudig om zo’n model ook in een robot te installeren, waarna deze simpelweg kan worden hertraind om zich in de wereld te handhaven. Klaar is Kees.
Dankzij talloze sciencefictionverhalen die al jaren de ronde doen ‘gaan veel mensen ervan uit dat AI iets lichamelijk is’
Dit is een zware onderschatting. Dankzij talloze sciencefictionverhalen die al jaren de ronde doen ‘gaan veel mensen ervan uit dat AI iets lichamelijk is’, aldus Peter Varrett, investeerder in Playground Global. In werkelijkheid is het een immense stap om intelligentie naar de fysieke wereld te vertalen.
Daarvoor zal de manier waarop AI momenteel wordt getraind radicaal moeten veranderen. Als sterke, autonome machines in contact worden gebracht met mensen is er bijvoorbeeld geen ruimte voor de ‘hallucinaties’ waar LLM’s doorgaans last van hebben [kleine foutjes in hun handelingen]. En zo moeten robotbouwers nog ontelbare andere uitdagingen overkomen om het menselijk lichaam in een machine na te bootsen.
Door de verwachtingen over de praktische haalbaarheid van kunstmatige mensen op te schroeven, maken robotbouwers het zichzelf alleen maar moeilijker. Ze lopen bovendien het risico een veel haalbaardere en zeer belangrijke markt mis te lopen: die voor robots die geen twee benen hebben of proberen de mens in al zijn complexiteit na te bootsen.
Op het gebied van kunstmatige intelligentie komen robotontwikkelaars veel obstakels tegen waar de makers van LLM’s helemaal geen last van hebben. Zo zijn diensten zoals ChatGPT getraind op datasets die vooral van het internet afkomstig zijn, zonder dat daar data over de fysieke wereld aan te pas komen.
Ook is het veel moeilijker om een machine te bouwen die met de wereld interacteert en objecten gebruikt en oppakt dan om een simpelere autonome machine te maken zoals een zelfrijdende auto. Voertuigen hebben enkel de opdracht door de wereld heen te bewegen zonder tegen dingen op te botsen; een robot moet dingen op precies de juiste manier aanraken om zelfs maar de simpelste taken uit te kunnen voeren.
Daar komt nog de kwestie van ‘planning’ bij kijken: in real time beslissingen nemen over een handelwijze op basis van een stroom aan zintuiglijke data uit de echte wereld – een van de moeilijkste problemen in de robotica. Zelfrijdende auto’s beginnen weliswaar eindelijk op de openbare weg te verschijnen, maar het heeft jaren langer geduurd dan door optimisten in de techindustrie werd voorspeld. Robots vormen nog een veel grotere uitdaging.
Nvidia kaartte deze problemen aan bij de jaarlijkse technologieconferentie in Silicon Valley, afgelopen maart. Het bedrijf heeft een systeem ontwikkeld genaamd Cosmos dat een virtuele wereld kan genereren om robotbreinen in op te leiden, maar het is nog onduidelijk hoe en of deze synthetische data de echte wereld kan nabootsen. Ook is de chipfabrikant begonnen aan een ‘physics engine’ waarmee een robot kan leren over de fysieke wereld, zoals het verschil tussen harde en zachte objecten. Deze engine wordt gemaakt door Disney en Google DeepMind. Deze samenwerking spreekt boekdelen over hoe technologie en fantasie elkaar in de robotrevolutie opzoeken.
Nvidia presenteerde overigens ook een veelbelovend besturingssysteem voor robots, dat als opensourceproject wordt ontwikkeld zodat andere potentiële ontwikkelaars kunnen aansluiten. Dit kan een grote impuls vormen voor het vakgebied – al dreigt het tegelijkertijd de vele anderen die zich haastig op dit terrein hebben gestort buitenspel te zetten. Bovendien is er een groot verschil tussen het uitstippelen van een ontwikkelingsplan en daadwerkelijk resultaten boeken.
Misschien hoeft de mens niet per se te worden nagebootst, maar liggen er juist meer mogelijkheden in de ontwikkeling van saaiere machines, die eenduidige taken kunnen uitvoeren of kunnen werken in op maat gemaakte omgevingen zoals warenhuizen of fabrieken. Zo zijn er automatische warenhuizenkarretjes ontwikkeld door Robust.ai, een bedrijf van Rodney Brooks, medeoprichter van het bedrijf achter de Roomba-stofzuiger en voormalig professor in kunstmatige intelligentie bij MIT. Een vaatwasser heeft geen handen nodig om de mens een handje te kunnen helpen. Als de nieuwste AI-technologieën en goedkope hardware worden benut, kan men allerlei robots bouwen die heel nuttig kunnen zijn – ook al lijken ze in geen enkel opzicht op de mens.